Overslaan naar inhoud

1.

Zijn haren waren verwilderd en op zijn gezicht lag een vreemde trek, die niet paste bij de persoon die ik meende te kennen. Ik wist niet wat ik verwachten moest, toen ik hem van het station ging ophalen. De omhelzing was afstandelijk. Een tegenstelling. De eerste van vele. Ik nam ze zoals ze kwamen. Ik hield me aan mijn rol. Hoe slecht ik me ook voelde, liever stond ik in mijn eigen schoenen dan in de zijne.

Hij had stapschoenen mee, die enkel van zijn voeten afgingen als hij zich naar zijn slaapkamer begaf. Stappen zou hij. Hij wilde de hele kust doen, met zijn app als begeleider. Hij vroeg of ik met hem mee wilde. Ik zou hem telkens halverwege ontmoeten, zei ik. Mijn behoefte aan stappen lag anders, ik wilde niet in zijn sporen.

Hij moest zich elke dag een doel stellen. Een concreet fysiek doel. Hij had al heel de Šumava van west naar oost doorkruist en had doorheen de Tatra gewandeld tot aan de grens met Oekraïne. Bergketens geven een richting, net als de kust, die een natuurlijke lijn trekt van A naar B. Geen extraatjes zocht hij, geen bezienswaardigheden die hem moesten afleiden. Een makkelijk te volgen pad, zonder drukte, zonder complicaties.

2.

‘De Russen zijn Oekraïne binnengevallen’, zei ik de volgende dag.
‘Dan toch?’ reageerde hij. ‘Ik had het niet verwacht.
‘Ik evenmin. Ik dacht dat het bluf was. Deze nacht zijn militaire luchthavens en basissen gebombardeerd. Het ziet er niet goed uit. Ik dacht dat Poetin wijzer was.’
‘Het Westen heeft hem uitgedaagd. Wie wil raketten van een vijandig militair bondgenootschap in zijn voortuin zien staan?’
‘Die raketten staan er niet, het bondgenootschap is niet eens een feit. Er is niet meer dan een opening.’
‘Die ingaat tegen een eerdere belofte van neutraliteit.’
‘Ga je de inval verdedigen?’
‘Dat doe ik niet. Ik hoop dat het niet escaleert.’
Zonder spreken stapten we verder langs de promenade. Het was krokusverlof. Het mooie weer bracht grote trossen toeristen mee.
‘Ik wist niet dat het hier vakantie was,’ sprak hij. ‘Ik hoopte dat er weinig volk zou zijn.’
‘Het valt wel mee.’
‘Ik mijd mensen. Ik heb het moeilijk met ze. Ze kijken zelfvoldaan, vinden alles vanzelfsprekend.’
‘Wat kan het je schelen?’
‘Het doet pijn om deze gezinnen met kinderen te zien.’
Voor de eerste keer benoemde hij zijn pijn.

3.

Een Vredesmissie noemde Poetin het. De leiders van de separatistische gebieden in Oost-Oekraïne hadden de Russische president om bijstand gevraagd. Ze hadden verklaard dat de situatie in de Donbas was geëscaleerd. Door de aanhoudende militaire agressie van de Oekraïense strijdkrachten kregen de zelfverklaarde republieken naar eigen zeggen te maken met de vernieling van burgerlijke en industriële infrastructuur, scholen, ziekenhuizen en kindercrèches. Burgers waren gedood, inclusief kinderen.

Verantwoordelijken van de Amerikaanse Defensie gaven aan dat de 150.000 Russische soldaten aan de grens in slagorde stonden. Ze waarschuwden dat een invasie het doel was van de troepenopbouw, die al maanden aan de gang was.

Ik hoorde, net als de meeste Oekraïners, bij de mensen die tot op het laatste moment geloofden dat het alleen om spierballengerol ging. De Amerikanen hadden er een hand van weg om dreigingen op te kloppen. De manipulaties voorafgaand aan de inval in Irak stonden mij nog scherp in het geheugen. Poetin was niet dom. Een oorlog in Europa was absurd. Het hoorde tot een ander tijdperk. Hij zou het zo ver niet laten komen. Hij speelde een gevaarlijk spelletje blufpoker.

Toen vielen de eerste bommen. Ze waren dan toch de grens overgestoken. Wat ondenkbaar leek, werd de nieuwe realiteit. Europa en de VS reageerden hard en fel. Sancties werden aangekondigd. Via mijn app volgde ik het nieuws op de voeten. Of beter: het nieuws volgde mij! Overal waar ik ging. Ik miste geen enkel bericht. Ongeloof bleef. Even de stekker uittrekken, terug insteken en dan hopen dat alles weer normaal liep. Dat gebeurde niet. De geschiedenis was onomkeerbaar. We zaten in een dynamiek, die weldra zijn eigen leven zou gaan leiden en waarvan ik enkel toeschouwer zou zijn.

4.

Hij stond erop dat hij voor het eten zou zorgen. Ik stemde toe. Ik begreep zijn gretigheid om bezig te blijven. Of vegetarisch voor mij oké was? Ik zou wel een lapje vlees tussendoor bakken als ik het niet vol hield, zei ik. Ik had zelf ook deugd van een gezonde kuur. Vet en suikers hielden me in een lichte bedwelming. Mijn onrust dreef me ’s avonds naar de koelkast. Zijn aanbod vormde de prefecte aanleiding om aan mijn eigen conditie te werken. Met twee was het makkelijker.

Hij hield er zich strak aan. Net zoals hij zich aan alles strak hield. Spartaans, vond ik het, zoals hij zijn dag indeelde en zichzelf taken oplegde. Hij nam het roer in handen. Hij nam zijn leven in handen. Zo leek het. Hun namen werd niet genoemd. Ze werden niet tussen de kruiden geroerd, noch op het bord geserveerd. Maar ze waren aanwezig in hun afwezigheid. Ze waren altijd bij ons.

Jovan sneed worteltjes, alsof elke brokje ertoe deed. Hij pelde uien zonder tranen. Hij roerde in de soep, alsof het een homeopathische bereiding betrof. De keuken was een heilige plaats, waar oude rituelen werden opgevoerd, met een chirurgische precisie. Elke handeling leek ingestudeerd, een oefening in mindfulness. Elke maaltijd leek een viering. Doch Jovan had niets te vieren. Nog een tegenstelling.