Overslaan naar inhoud

Proevertjes De Bezetting

Middelkerke
mei – juni 1940

Jules

Jules was de eerste die het ding zag. Ze waren er al vroeg op uitgetrokken om langs de zeelijn te zoeken naar aangespoelde hebbedingen. De vangst overtrof in deze dagen de verwachtingen. Hun pronkstuk was een ongeopende sigarenkist, die Adhemar op de vensterbank van zijn slaapkamer in de zon te drogen had gelegd. Hij was de eerlijke vinder, dus hij kreeg het voorrecht te bepalen wanneer het goedje genuttigd zou worden. Ze hadden ook een reddingsvest weten te bemachtigen en een pul petroleum. Wat zich nu aandiende zag er veelbelovend uit. Het was groot en leek in zeil gewikkeld. De opkomende zee had het op het natte zand uitgespogen. De terugtrekkende zee had het daar achtergelaten, als een gift. De jongens liepen er op een drafje naartoe. Adhemar had de langste benen en draafde voorop. Toen hield hij ineens in, Jules en Ward meteen na hem. Hijgend stonden ze naast elkaar en gaapten het ding aan. Langzaam stapten ze dichterbij, op het laatst nog centimeter voor centimeter.
Het lijk was al in een vergevorderde staat van ontbinding. De man was ongelooflijk opgezwollen door het water en de soldatenriem had zijn middel belet uit te zetten, zodat het leek alsof er twee bollen lagen. Het hoofd zag er vreselijk uit.
‘Kijk naar die ogen!’ zei Ward.
Verbijsterd keken de jongens het gezicht aan. Daar waar de oogbollen moesten zijn, zaten garnalen. Die deden zich tegoed aan wat van het tere weefsel restte.
‘Bwa! Ik ga nooit geen gernazen meer eten!’ flapte Adhemar eruit. Hij kokhalsde erbij.

Knokke - juli 1940

Gerard

Toen ze er toekwamen schrok Gérard van de grote toeloop. Zoveel volk had hij niet verwacht. Het leek of heel jong Knokke op de been was. Zijn hele lijf ging tintelen, toen hij tussen de massa Corneel herkende. Hij ging recht op hem af.
‘Ik heb je niet gezien in Frankrijk!’ zei hij verwijtend, hij had niet eens goeie dag gezegd.
‘Frankrijk is groot,’ antwoordde Corneel ontwijkend.
‘Ik ben er nochtans veel Knokkenaars tegengekomen,’ loog Gérard. Het waren er hooguit een tiental geweest.
‘Het is niet dat de CRAB’s een groot verschil hebben gemaakt,’ ging Corneel in de tegenaanval. ‘Maar ze hebben waarschijnlijk wel lekker eten gekregen.’
Je zou het een keer moeten weten!’
‘Nu ja, er zijn er met spieren en er zijn er met hersenen.’
Gérard moest zich inhouden om Corneel niet in elkaar te kloppen. Met woorden kon hij het niet halen. Hij deed nog een poging.
‘Het is moeilijk om recht te peinzen met kromme hersenen,’ beweerde Gérard. Hij vond de toespeling een vondst. ‘Schaakmat?’ vroeg hij, toen Corneel niets meer liet horen.
‘We zien mekaar in het water!’ was diens manier, om toch nog het laatste woord te krijgen.
Ze kregen de kans hun krachten te meten. De estafettes verliepen in leeftijdsgroepen. Gérard en Corneel zaten in verschillende teams. Beide teams haalden de finale. Het werd een spannende wedstrijd, een ware nek-aan-nek race. De ploeg van Corneel lag lichtjes aan kop toen de twee rivalen, als hekkensluiter, het sop kozen. Gérard, die een gedrongen gestalte had met brede schouders, zwaaide verbeten met zijn armen. Hij deed veel water opspatten. Corneel – lang, atletisch, lichte huid en lichtblond haar – had een fijnere techniek. Ook hij probeerde zichzelf te overtreffen. Gérard slaagde er niet in de afstand korter te maken. Aan de eindmeet moest hij de duimen leggen. Een pak mensen kwam Corneel feliciteren. Gérard keek nijdig toe. Zijn verblijf in het kamp had hem zwakker gemaakt. Ze hadden niet de training gekregen waarop hij had gehoopt en de gebrekkige voeding had hem verflauwd. Hij moest dringend aan zijn conditie werken. Corneel duwde er hem met zijn neus in.
Als we het land willen verdedigen, dan gaan we ons wat meer moeten opspannen, hé?’ stelde hij smalend.
Weer moest Gérard zich inhouden. In een één-op-één had hij Corneel zeker geklopt, meende hij. En de vraag was maar aan welke kant ze beiden zouden staan, als het erop aankwam. Meester Vroeman kwam hen vragen of ze mee wilden doen met de competitie. Dan konden ze tegen mannen van andere clubs zwemmen. Hij kon het geregeld krijgen, dat ze daarvoor het spergebied konden verlaten.
‘Ik ga erover nadenken,’ zei Gérard en hij wachtte niet tot hij het antwoord van Corneel hoorde.